Op het afdakje boven de keuken lag een ei. Ach wat een klein eitje was dat! Het was nog véél kleiner dan een speldeknop, en niemand dan alleen een sprookjesverteller zou het gezien kunnen hebben. Maar gelukkig zag de sprookjesverteller het. Hij zocht naar zijn bril; juist ging het eitje open, en kwam Anna naar buiten. Zij liep over het linker brilleglas, en bekeek zich in de spiegeling.
"Ach ben ik dát!" riep zij verrast, "alleraardigst!"
Ja, zij was een ééndagsvlieg. Anna haalde diep adem, en tuurde naar de Blerickse kerktoren; het was acht uur in de ochtend.
"Dit is een kostbare dag" prevelde de kleine Anna, "vandaag moet ik groot worden, mij verloven, trouwen, kinderen krijgen, en sterven. Vanavond om acht uur moet alles gebeurd zijn. Ik voel mij wel een beetje moedeloos met zoveel dingen voor de boeg. Maar wie niet waagt, die wint niet!"
Zij sloeg haar vleugeltjes uit en zweefde moedig over de zonnewijzer. Hier kwam zij een nette heer tegen, Simon Oppentroodt geheten.
"Ach, mejuffrouw..." zei hij enkel.
Anna bloosde.
"Ik ben juist geboren," sprak zij.
"Kom, kom," hernam hij ongeduldig, "wij moeten onze tijd niet verpratten joffrouw. Ja of nee?"
"Ja," fluisterde de kleine Anna.
Zij omhelsden elkaar haastig en wandelden wat tussen de andijve.
"Is dit nu het huwelijk?" vroeg Anna schuchter.
"Ja, dit is het," antwoordde Simon
Ook wierp hij een blik op de Blerickse kerkklok.
"Het is nu half tien," zei hij.
Hij werd bleek en gaf Anna een kus. Toen ging hij op zijn rugje liggen, de pootjes in de hoogte. Hij was dood. Anna was meer verbaasd dan bedfoefd. Het liefst had zij haar gezichtje in het zand gestopt en flink uitgehuild, doch dit paste niet voor een vrouw van middelbare leeftijd. Want dit was Anna nu geworden. Anna was wat gegroeid en had een bredere kijk op het leven gekregen. Zij stond hierover na te denken, toen haar broertjes voorbijkwamen: in de schaduw geboren, waren zij wat later ter wereld gekomen. Anna bleef op een afstandje naar het uitkomen der overige eieren staan kijken. Zij voelde zich welwillend gestemd, ja een klein beetje blasé.
"Het leven," sprak zij, "het leven, beste jongelui, is een snelle desillusie. Tempo, tempo! Meer wordt er niet gevraagd."
Doch de kleine ééndagsvliegen antwoordden niet eens. Zij spreidden hin vleugeltjes uit en vlogen rechtstandig naar de zon. Nu schepte Annna ook moed. Zij sprong op en vloog over het duivenhok; daar ontmoette zij haar tweede man. Hun kennismaking was zakelijk; poëzie is belachelijk op die leeftijd.
"Bent u al eens getrouwd geweest?"
"Jawel," antwoorde Anna, "het was een heel net huwelijk. Doch hij ontsliep. Het is al lang geleden."
"Goed. Bent u genegen tot een tweede huwelijk?"
"Met wie?" vroeg Anna.
"Met mij."
Hiermede waren zij getrouwd. Neen, korter kan het niet. En toch is dit een lange verkering voor een ééndagsvlieg.
Was het een gelukkig huwelijk? Neen. Zij vermoedde dat hij deel had aan een zwendelaffaire in miereneieren. Doch er waren geen bewijzen. Hij werd echter betrapt bij het smokkelen van een stukje paardemest en verbannen. De wet is streng. Anna treurde niet: zij legde een paar honderd eieren in de kelk van een primula en liet zich toen drijven op de wind. Hoger en hoger ging het. Het was zo zalig, dit drijven... Plotseling voelde Anna zich moe, vreselijk moe. Snel spreidde zij haar vleugels uit en daalde. Zou dit het einde zijn? De tranen schoten haar in de ogen; zij dronk wat water uit een koolblad en sliep even in.
Toen zij wakker werd was de zon rood en weemoedig. En alle dingen in de tuin waren stil en oud geworden. Ook Anna was een oude vrouw. Zij liep langzaam over het koolblad op en neer en ging toen aan de rand zitten. Van hier af kon zij de zon zien onder gaan. Anna zuchtte. Zij staarde over de bladrand naar beneden, op het leven onder haar. Slakjes kevertjes, torretjes, van alles repte zich haastig voorbij, naar huis. Het was een vallen en opstaan, klimmen en dalen, gedrang en beweeg. Alleen Anna bewoog niet. Zij was dood.
--G. Bomans (1913-1972)